Dan (stam)
Van Wikipedia
De Stam van Dan was volgens de Hebreeuwse Bijbel een van de twaalf stammen van Israël. De stamvader van de stam was Dan, de oudste zoon van Jakob en de dienstmeid Bilha (Genesis 30:4). Volgens het boek Exodus was de stam van Dan het talrijkste van alle stammen tijdens de uittocht van Israël uit Egypte.
Toen de Israëlieten Kanaän hadden veroverd, werd aan Dan een grondgebied aan de kust (rond het hedendaagse Tel Aviv) toegewezen (Jozua 19). Later vestigden de Filistijnen zich in het gebied ten zuiden van het grondgebied van Dan. Er werd ook fel gevochten tussen de stam van Dan en de Filistijnen. In deze wanhopige tijden werd een onvruchtbare vrouw uit de stam van Dan zwanger van een jongen. God droeg haar op om de jongen als een Nazireeër op te voeden en hem Simson te noemen (Richteren 13). Simson werd een richter van Israël en vocht tegen de Filistijnen. Door zijn gelofte aan God was Simson ongelofelijk sterk. Hij wordt verliefd op Delila, een Filistijnse schoonheid. Zij werkt echter voor de Filistijnse koningen, die het geheim van Simsons kracht willen weten. Uiteindelijk knipt Delila Simsons haar af en levert hem uit aan de Filistijnen.
De druk van de Filistijnen werd uiteindelijk toch te zwaar voor de stam van Dan om te weerstaan en uiteindelijk trok de stam naar het noorden van Israël (Richteren 18). Daar tartten ze het gezag van God door zelf Levieten in dienst te nemen (Richteren 17). Toen Jerobeam de tien stammen van Israël wegvoerde na de breuk met Rechabeam, Salomo's zoon, sloot de stam van Dan zich bij hem aan. De hoofdplaats van Dan, ook Dan geheten, werd de locatie van een van Jerobeam's kalveren, die hij ter vervanging van Salomo's tempel had opgericht. Toen Israël in 722 v. Chr. door Assyrië werd veroverd, werd Dan samen met de andere stammen weggevoerd.