Comparatief voordeel
Van Wikipedia
In de internationale economie geeft het comparatieve voordeel aan waarom het voor landen voordelig is om handel te drijven met elkaar. Zelfs wanneer één land alles voordeliger kan produceren dan het andere land. De theorie wordt over het algemeen toegeschreven aan David Ricardo.
In de theorie van het comparatieve voordeel wordt er van uitgegaan dat landen verschillen in klimaat, technologisch niveau, werkgelegenheid, loon, en dergelijke.
Er wordt gekeken naar het verschil in de verhouding tussen verschillende productiefactoren en dus niet naar de kostprijs.
[bewerk] Voorbeeld
Er zijn twee landen, Tanzania en Nederland. Zowel in Tanzania als in Nederland worden kleding en graan gemaakt. Een Nederlander kan in een jaar tijd 30 kledingstukken maken, maar in die tijd kan hij ook 15 kilo graan verbouwen. In Tanzania hebben ze geen machines om de planten snel te zaaien en te oogsten of kleding te maken. Maar in Tanzania is wel veel zon, dus de boer in Tanzania kan zijn nadeel goed maken en ook 15 kilo graan verbouwen in een jaar. Zonder machines kunnen ze in Tanzania echter maar 10 kledingstukken maken.
Intuïtief zou worden verwacht dat Nederland dan het best alle kleding en graan zelf kan houden. We hebben namelijk net zo veel graan en veel meer kleding, dus handelen lijkt geen zin te hebben. Toch is dit niet voordeliger. Tanzania heeft namelijk een comparatief voordeel in graan. Dit wil zeggen dat graan in de termen van kleding in Tanzania voordelig is. Dus handel is voordelig voor beide landen. Daarbij moet je er wel van uit gaan dat je het liefst zowel kleding als voedsel wil kopen. Als het koud hebt kun je nog zo veel graan hebben, maar dan wil je kleding. Maar als je veel kleren hebt en geen eten, dan wil je liever graan dan nog een extra jas.
[bewerk] Stel er is geen handel
Situatie Nederland: Nederland heeft 15 miljoen mensen. Als 5 miljoen mensen kleding gaan maken, dan hebben we 150 miljoen (30 maal 5 miljoen) kledingstukken. Als 10 miljoen mensen graan gaan verbouwen hebben we ook 150 miljoen (15 maal 10 miljoen) kilo. Dan hebben we dus voor iedere Nederlander 10 kilo graan en 10 kledingstukken. Totaal dus 300 miljoen kledingstukken en kilo graan wordt er voor Nederland geproduceerd.
Situatie Tanzania: Tanzania heeft ook 15 miljoen mensen. Als nu 9 miljoen mensen kleding gaan maken, dan hebben ze 90 miljoen (10 maal 9 miljoen) stuks kleding en de overige 6 miljoen graan gaat verbouwen, hebben ze ook 90 miljoen (15 maal 6 miljoen) kilo graan. Dan is 6 kilo graan en 6 kledingstukken voor iedere inwoner van Tanzania. Totaal wordt er dus 90 miljoen kilo graan en kledingstukken voor Tanzania geproduceerd.
Totaal zijn er dus 240 miljoen kilo graan en 240 miljoen kledingstukken geproduceerd.
[bewerk] Stel er is wel handel
Tanzania heeft een comparatief voordeel in graan. Dus als Tanzania alleen graan gaat verbouwen, kunnen ze 15 miljoen maal 15 kilo graan produceren, dus 225 miljoen. Als Nederland een groter deel van de bevolking kleding laat maken, kan zij bijvoorbeeld 10 miljoen maal 30 kledingstukken maken, ofwel 300 miljoen kledingstukken. De overige Nederlanders kunnen graan verbouwen met (5 miljoen maal 15) 75 miljoen als opbrengst.
Nu kunnen de inwoners van Tanzania 100 miljoen kilo graan ruilen voor 125 miljoen stuks kleding. Zo hebben de Nederlanders 175 (in plaats van 150) miljoen kilo graan en 175 stuks kleding. De inwoners van Tanzania hebben nu 125 (in plaats van 90) kilo graan en 125 stuks kleding. Beide landen zijn er dus door de handel op vooruit gegaan .
Doordat er handel kan worden gedreven is er nu totaal 300 miljoen stuks kleding gemaakt en 300 miljoen kilo graan.