Dekkingsgraad
Van Wikipedia
De dekkingsgraad is een (globale) indicator voor de vermogenspositie van een pensioenfonds: hierbij wordt de contante waarde van de beleggingen gedeeld door de contante waarde van de verplichtingen. Bij een dekkingsgraad van 100% heeft een pensioenfonds net genoeg vermogen om de verplichtingen na te komen, boven de 100% beschikt het fonds over buffers. Bij een lager percentage dan 100% is er sprake van onderdekking.
Inhoud |
[bewerk] Nagestreefde dekkingsgraad
De nagestreefde dekkingsgraad hangt af van een aantal factoren:
- Eisen van een pensioenfonds zelf
- Minimale dekkingsgraad vereist door de overheid
- Buffervereisten van de overheid
- Onderdekkingskans
[bewerk] Eisen van het pensioenfonds zelf
In het kader van risicobeheersing stellen pensioenfondsen zelf vast wat ze geen acceptabele dekkingsgraad meer vinden. Dit beleid is vooral van belang voor de sponsor(s) (het bedrijf of de bedrijfstak waar de begunstigden werken of hebben gewerkt) omdat zij in geval van onderdekking vaak de eerst aangesprokenen zullen zijn om de onderdekking weg te werken.
[bewerk] Minimale dekkingsgraad vereist door de overheid
De overheid stelt in het kader van het toezicht op de pensioenfondsen eisen aan de solvabiliteit. Dit vindt zijn uitwerking in een minimum dekkingsgraad. Een pensioenfonds dat onder de minimale dekkingsgraad komt (in Nederland 105%) moet een herstelplan afspreken met de toezichthouder, waarin binnen een beperkte termijn de onderdekking wordt weggewerkt.
[bewerk] Buffervereisten van de overheid
Buffervereisten gaan uit van de gedachte dat er een reserve aan geld moet worden opgebouwd voor tijden waarin de financiële markten slechte resultaten laten zien. Buffervereisten zijn logischerwijs gekoppeld aan de structuur van de beleggingsportefeuille, dat wil zeggen dat volatielere beleggingscategorieen, zoals aandelen een hogere buffer moeten hebben dan stabielere beleggingscategorieen, zoals obligaties. In Nederland komen de buffervereisten uit op een dekkingsgraad tot 130%.
Buffervereisten worden door sommige auteurs als controversieel ervaren. Zij leiden tot extra besparingen in economisch slechte tijden en minder besparingen in economische goede tijden; ze zijn pro-cyclisch. Buffervereisten zijn ook geen extra reserve, die in slechte tijden kan worden aangesproken, maar een extra verplichting die in principe ook in slechte tijden in stand gehouden moet worden. Bovendien kunnen buffervereisten tot permanent slechtere beleggingsresultaten leiden: de makkelijkste manier om aan de buffervereisten te voldoen is de beleggingsportefeuille aan te passen. Dit kan leiden tot een vicieuze cirkel, waarin de aanpassingen via een lager rendement leiden tot een lagere dekkingsgraad en nog meer aanpassingen, totdat de portefeuille vrijwel geheel uit obligaties bestaat, waardoor het rendement sterk zou dalen en de risicospreiding gevoelig zou afnemen.
(Het mechanisme van aanpassen van de beleggingsportefeuille aan buffervereisten werkt, in grote lijnen, als volgt. Voor elke asset-categorie -in hoofdzaak obligaties en aandelen- wordt vastgesteld welke volatiliteit (mate van waardefluctuatie) hij heeft. Bij een hogere volatiliteit hoort een hogere buffer: een groter "stootkussen" om waardeschommelingen op te vangen. Een portefeuille die een groter percentage aandelen bevat, vergt uit hoofde van dit systeem een grotere buffer: aandelen hebben nu eenmaal grotere waardefluctuaties. Aan de andere kant: aandelen hebben, over een lange reeks van jaren, een hoger rendement dan obligaties. Een portefeuille met meer obligaties kan dus wel met een lagere buffer volstaan, doch zal, over die reeks van jaren, vermoedelijk een lager rendement genereren, zodat de totale waarde van de portefeuille aan het eind van die periode vermoedelijk lager is. En dit impliceert dus weer een slechtere dekkingsgraad. In de praktijk is de dekkingsgraad bijzonder volatiel gebleken: na twee goede jaren hebben de meeste pensioenfondsen eind 2005 de vereiste dekkingsgraad bereikt. Ook is gebleken dat de buffervereisten verschillend hebben uitgewerkt: de grotere pensioenfondsen hebben over het algemeen hun portefeuilleverdeling gehandhaafd, zij het dat ze bij elke goede gelegenheid weer wat meer dekking van het renterisico inkopen. De kleinere fondsen hebben meestal besloten het renterisico op de top van de markt in te dekken. Hierdoor hebben zij veel minder kunnen profiteren van het herstel van de financiele markten. Voor deze fondsen hebben de nieuwe buffervereisten dus pervers gewerkt.)
De term "pro-cyclisch", die hierboven werd gebruikt, heeft hier betrekking op de gang van zaken binnen het pensioenfonds, en slaat dus niet zozeer op de macro-economische gevolgen van het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Het is uiteraard wel zo dat de wijze van beleggen door pensioenfondsen een zeker effect op de conjunctuur heeft.
[bewerk] Onderdekkingskans
De onderdekkingskans is de kans dat het fonds niet in een situatie van onderdekking terecht kan komen. In Nederland is de onderdekkingskans 97,5%, wat betekent dat statistisch gezien een fonds gemiddeld eens in de 40 jaar in een situatie van onderdekking zal belanden. Een hogere onderdekkingskans zou grote gevolgen hebben voor de dekkingsgraad. Een onderdekkingskans van 99,5% (eens per 200 jaar onderdekking), gebruikelijk voor het toezicht op banken, zou een dekkingsgraad van rond 170% opleveren voor pensioenfonds.
Naast de dekkingsgraad is de hersteltermijn van belang voor de kosten van zekerheid. Een te lange hersteltermijn werkt laksheid in de hand, een te korte termijn voert tot grote gedwongen besparingen die niet alleen de solidariteit tussen generaties op spel zetten, maar ook de procyclische werking verscherpen.
[bewerk] Bestrijden van onderdekking
Onderdekking betekent dat als het pensioenfonds onmiddellijk zou ophouden te bestaan de verplichtingen niet nagekomen zouden kunnen worden onder de aannames van de berekeningen. Als daarentegen wordt uitgegaan van een lopend bedrijf (going concern) heeft het gemiddelde fonds nog tientallen jaren gelegenheid om de onderdekking geleidelijk weg te werken.
Om een dreigende ontoereikende vermogenspositie te bestrijden, beschikt een pensioenfonds over diverse opties:
- het verhogen van de beleggingsrendementen
- het beperken van de indexering van lopende pensioenen
- het verhogen van de premies
- het verschralen van de pensioenbelofte, bijvoorbeeld door het invoeren van een middelloonsysteem
[bewerk] Verhogen van de beleggingsrendementen
De gewoonlijk meest rendabele methode is het (trachten te) verhogen van de beleggingsrendementen. Dit brengt echter een verhoging van het risicoprofiel van de beleggingsportefeuille met zich mee (tenzij inefficiënte beleggingsmethodes worden beëindigd), terwijl het effect ervan ongewis is, en ook heel goed enige (tot geruime) tijd op zich kan laten wachten. Hogere rendementen laten zich niet afdwingen.
[bewerk] Beperken van de indexering van lopende pensioenen
Het achterwege laten of niet volledig doorvoeren van indexering (inflatiecorrectie) van lopende pensioenen heeft een tamelijk sterk positief effect op de vermogenspositie, doch hierbij wordt de last geheel bij de huidige pensioenontvangers gelegd. (Een variant hierop is dat een inflatiecorrectie niet volledig plaatsvindt, doch dat toegezegd wordt dat deze alsnog zal plaatsvinden indien in latere jaren de omstandigheden dat toelaten.)
[bewerk] Verhogen van de premies
In de praktijk worden pensioenpremies meestal door werkgevers en werknemers gezamenlijk gedragen, hoewel in een aantal sectoren een zgn. premievrij pensioen voorkomt, waarbij de werkgever de gehele pensioenpremie betaalt. Dit lijkt echter nauwelijks meer voor te komen. Het verhogen van de door de huidige deelnemers (en hun werkgever(s)) te betalen premies is negatief voor zowel de deelnemers als de werkgevers: de deelnemers zien dit direct in hun netto-salaris, en voor de werkgevers gaan deze verhogingen direct ten laste van hun winst. Beide groepen zijn echter vertegenwoordigd in het bestuur van pensioenfondsen, waardoor ze betrokken zijn bij het functioneren van het fonds en de noodzaak van versoberingen beter begrijpen en accepteren.
[bewerk] Verschralen van de pensioenbelofte
Er zijn vele mogelijkheden om de pensioenbelofte te verschralen, van het schrappen van voordelige clausules voor bijzondere gevallen tot ingrijpende structurele maatregelen als een hogere pensioengerechtigde leeftijd. In Nederland zijn rond 2004 zowel ABP als PGGM op een middelloonstelsel overgestapt. Deze fondsen zijn zodanig dominant dat hiermee het merendeel van de Nederlandse deelnemers naar een middelloonsysteem is gegaan. Het vervangen van het eindloonstelsel door het middelloonstelsel komt in de praktijk neer op een verlaging van de uiteindelijk uit te keren pensioenen. In het eindloonstelsel wordt het pensioen (in grote lijnen) berekend over het aantal dienstjaren en het laatst verdiende salaris, in het middelloonstelsel wordt gewerkt met het gemiddelde salaris gedurende de totale periode van pensioenopbouw. Hierbij wordt dan wel rekening gehouden met de inflatie gedurende die periode.
[bewerk] Hoge dekkingsgraad
De geschiedenis heeft geleerd dat een hoge dekkingsgraad ook nadelen heeft. Onder invloed van sterk stijgende aandelenkoersen hadden vele pensioenfondsen in de jaren '90 een zodanig comfortabele positie dat discussies ontstonden over de vraag aan wie het overschot toebehoorde. Sommige ondernemingpensioenfondsen stelden de bijdrage van de werkgever op nihil, een zogeheten "premie-holiday". Er hebben zich zelfs gevallen voorgedaan dat een pensioenfonds een bedrag aan de werkgever terugbetaalde. De verslechterde vermogensverhoudingen van pensioenfondsen, die tot een einde aan deze praktijken noopten, hingen echter samen met dezelfde conjuncturele verslechtering die ervoor zorgde dat een hervatting van de premiebetaling door een werkgever op een voor hem slecht moment kwam. De overheid stelde speciale belastingmaatregelen voor om overschotten weg te belasten en de vakbonden wilden het overschot uitkeren aan de begunstigden en gebruiken voor het verlagen van de premie. Inmiddels is de bovenmatige dekkingsgraad van toen tot gewenste dekkingsgraad van nu geworden.
[bewerk] Actuele situatie in Nederland
Door een combinatie van diverse, hier boven beschreven maatregelen, en door in het algemeen goede beleggingsresultaten in 2005 en 2006 is de vermogenspositie van Nederlandse pensioenfondsen per eind 2006 aanmerkelijk verbeterd ten opzichte van die per eind 2004. Volgens een opgave van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen lag de dekkingsgraad van alle bedrijfstakpensioenfondsen gezamenlijk per eind 2005 op 121%. Door een combinatie van redelijke beleggingsresultaten in het eerste kwartaal, en, vooral, een duidelijke stijging van de marktrente in die periode, lag de dekkingsgraad eind maart 2006 op circa 130%.[1] Deze situatie is sedertdien iets verslechterd, met name doordat de gedaalde rente heeft geleid tot een hogere contante waarde van de verplichtingen. ABP en PGGM, de grootste Nederlandse pensioenfondsen, hadden echter aan het eind van het derde kwartaal nog steeds een dekkingsgraad van circa 130%.[2] Ultimo 2006 hadden APB en PGGM beide een dekkingsgraad van 133%[3].
[bewerk] Referenties
- ↑ Het Financieele dagblad, 18 april 2006.
- ↑ Kwartaalberichten ABP en PGGM derde kwartaal 2006.
- ↑ Het Financieele Dagblad, 19 januari 2007.