Tollenaar
Van Wikipedia
Tollenaar (< Latijn telonarius < Grieks telônès, letterlijk "weger", namelijk van munten, graan of andere goederen die als belastingbetaling konden dienen).
De klassiek Romeinse term voor belastingpachter was publicanus. De Romeinse overheid verleende belastingconcessies voor een bepaald gebied, met een bepaalde looptijd. De concessie ging meestal naar de hoogste bieder of een "vriendje" van de regering: het systeem lijkt enigszins op de huidige marktwerking in de publieke sector (vergelijk de Wet personenvervoer 2000 in het openbaar vervoer). De publicanus garandeerde een bepaald bedrag voor de Romeinse staatskas, alles wat hij meer kon heffen was winst. De tarieven werden wel van hogerhand voorgeschreven, maar vaak willekeurig toegepast. Daardoor waren tollenaren bij de bevolking niet geliefd.
In het Nieuwe Testament worden twee tollenaars met name genoemd: Mattheüs en Zacheüs. Men heeft Jezus verweten dat hij omging met “tollenaars en zondaren” (zie Mattheüs 9:11). In het licht van het bovenstaande is dat begrijpelijk, maar onterecht getuige het volgende citaat.
9 En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheüs, en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem. 10 En het geschiedde, als Hij in het huis van Mattheüs aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mede aan, met Jezus en Zijn discipelen. 11 En de Farizeeën, dat ziende, zeiden tot Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaars en de zondaren? 12 Maar Jezus, zulks horende, zeide tot hen: Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.
(Mattheüs 9:9-12 Statenvertaling)
Hoewel het woord "tol" (belasting op ingevoerde waren) van dezelfde stam komt als het woord "tollenaar", gaat het bij de N.T. begrippen tollenaar en tolhuis (belastingkantoor) om belastingen in het algemeen.