Verbuiging van het voornaamwoord
Van Wikipedia
Het Nederlands kent 9 verschillende soorten voornaamwoorden:
- aanwijzend voornaamwoord
- betrekkelijk voornaamwoord
- bezittelijk voornaamwoord
- onbepaald voornaamwoord
- persoonlijk voornaamwoord
- uitroepend voornaamwoord
- vragend voornaamwoord
- wederkerend voornaamwoord
- wederkerig voornaamwoord
Hierna zal hun verbuiging besproken worden:
[bewerk] Verbuiging van het aanwijzend voornaamwoord
Men merke vooraf op dat de accusatief en datief vormen verouderd zijn, men treft deze vrijwel alleen nog aan in vaste uitdrukking als ‘van dien aard’, ‘met alle gevolgen van dien’, et cetera. De genitiefvormen komen nog slechts sporadisch voor, en dan ook alleen in vaste uitdrukkingen als ‘wat dies meer zij’ en ‘in dier voege’. Er bestaan 8 verschillende aanwijzende voornaamwoorden in het Nederlands: deze, die, gene, gindse, zo'n, zo een, zulke en zulk een.
Voor dichtbij: deze
Enkelvoud | |||
Mannelijk | Vrouwelijk | Onzijdig | |
Nominatief | deze | deze | dit |
Genitief | dezes | dezer | dezes |
Datief | dezen | dezer | dezen |
Accusatief | dezen | deze | dit |
Meervoud | |||
Mannelijk | Vrouwelijk | Onzijdig | |
Nominatief | deze | deze | deze |
Genitief | dezer | dezer | dezer |
Datief | dezen | dezen/dezer | dezen |
Accusatief | deze | deze | deze |
Voor veraf: die, gene (archaïsch) of gindse (archaïsch)
Enkelvoud | |||
Mannelijk | Vrouwelijk | Onzijdig | |
Nominatief | die | die | dat |
Genitief | dies/diens | dier | dies/diens |
Datief | dien | dier | dien |
Accusatief | dien | die | dat |
Meervoud | |||
Mannelijk | Vrouwelijk | Onzijdig | |
Nominatief | die | die | die |
Genitief | dier | dier | dier |
Datief | dien | dien/dier | dien |
Accusatief | die | die | die |
Gene,gindse en zulke worden verbogen zoals een adjectief zonder lidwoord, zie verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord. Zo'n, zo een en zulk een worden verbogen zoals het onbepaald lidwoord, zie verbuiging van het lidwoord.
[bewerk] Verbuiging van het betrekkelijk voornaamwoord
Het Nederlands kent twee verschillende betrekkelijke voornaamwoorden: die en wie. De die-vorm is de normale vorm, de wie-vorm wordt enkel gebruikt als het antecedent ontbreekt. Men merke op dat de woorden waar, waarmee, etc. geen voornaamwoorden zijn, maar voornaamwoordelijke bijwoorden.
De verbuiging van die
Enkelvoud | |||
Mannelijk | Vrouwelijk | Onzijdig | |
Nominatief | die | die | dat |
Genitief | wiens | wier | wiens |
Datief | dien | dier | dien |
Accusatief | dien | die | dat |
Meervoud | |||
Mannelijk | Vrouwelijk | Onzijdig | |
Nominatief | die | die | die |
Genitief | wier | wier | wier |
Datief | dien | dien/dier | dien |
Accusatief | die | die | die |
De verbuiging van wie:
Enkelvoud | |||
Mannelijk | Vrouwelijk | Onzijdig | |
Nominatief | wie | wie | wat |
Genitief | wiens | wier | wiens |
Datief | wien | wier | wien |
Accusatief | wien | wie | wat |
Meervoud | |||
Mannelijk | Vrouwelijk | Onzijdig | |
Nominatief | wie | wie | wie |
Genitief | wier | wier | wier |
Datief | wien | wien/wier | wien |
Accusatief | wie | wie | wie |
[bewerk] Verbuiging van het bezittelijke voornaamwoord
Het Nederlands kent 7 verschillende bezittelijke voornaamwoorden, waarvan enkele ook een onbeklemtoonde vorm kennen: mijn (m'n) (1 enk.), jouw (je) (2 enk.), uw (2 enk. en mv. beleefdheidsvorm), zijn (z'n)(3 enk. ml. en onz.), haar (d'r) (3 enk. vr.), ons (1 mv.), jullie (2 mv.), hun (3 mv.). Tegenwoordig wordt het bezittelijk voornaamwoord niet meer verbogen als het bijvoeglijk gebruikt wordt, vroeger werd het echter verbogen als een onbepaald lidwoord. Wordt het zelfstandig gebruikt, dan wordt het verbogen als een zelfstandig gebruikt adjectief. Ook kent het bezittelijk naamwoord, dat zelfstandig gebruikt wordt, nog een speciale vorm voor de locatief: mijnent, jouwent, uwent, zijnent, harent, onzent, jullieënt, hunnent. Het bezittelijk voornaamwoord wordt dan altijd voorafgegaan door het voorzetsel te.
Omdat het onbepaald lidwoord geen meervoud kent, en het bezittelijk voornaamwoord dit wel bezit, zal hier de verbuiging van mijn worden weergegeven. Men merke op dat de stammen der bezittelijke voornaamwoorden als volgt zijn: mijn- (m'n-), jouw- (je-), uw- (Uw-), zijn- (z'n-), haar- (d'r-), onz-, jullie- en hun. Ook gelden hier de normale spellingsregels, bv. onz wordt ons, julliee wordt jullieë, haaren wordt haren, huner wordt hunner, etc.
Verbuiging van het bijvoeglijk gebruikte bezittelijke voornaamwoord:
Enkelvoud | |||
ml. | vr. | onz. | |
Nominatief | mijn/mijne | mijn | mijn |
Genitief | mijns | mijner | mijns |
Datief | mijnen | mijner | mijnen |
Accusatief | mijnen | mijn | mijn |
Meervoud | |||
ml. | vr. | onz. | |
Nominatief | mijn(e) | mijn(e) | mijn(e) |
Genitief | mijner | mijner | mijner |
Datief | mijnen | mijnen | mijnen |
Accusatief | mijn(e) | mijn(e) | mijn(e) |
Verbuiging van het zelfstandig gebruikte bezittelijke voornaamwoord:
Enkelvoud | |||
ml. | vr. | onz. | |
Nominatief | de mijne | de mijne | het mijne |
Genitief | des mijns | der mijne | des mijns |
Datief | den mijne | der mijne | den mijne |
Accusatief | den mijne | de mijne | het mijne |
Locatief | den mijnent | der mijnent | den mijnent |
Meervoud | |||
ml. | vr. | onz. | |
Nominatief | de mijnen | de mijnen | de mijne |
Genitief | der mijner | der mijner | der mijner |
Datief | den mijnen | den mijnen/der mijner | den mijnen |
Accusatief | de mijnen | de mijnen | de mijne |
Locatief | den mijnent | den mijnent | den mijnent |
[bewerk] Verbuiging van het onbepaald voornaamwoord
Het Nederlands kent 4 onbepaalde voornaamwoorden: iemand, iets, niemand en niets
Enkelvoud | ||||
iemand | niemand | iets | niets | |
Nominatief | iemand | niemand | iets | niets |
Genitief | iemands | niemands | iets' | niets' |
Datief | iemand | niemand | iets | niets |
Accusatief | iemand | niemand | iets | niets |
[bewerk] Verbuiging van het persoonlijk voornaamwoord
Het persoonlijk voornaamwoord is een van de weinige woordsoorten in het Nederlands die nog een gehele verbuiging kent.
Enkelvoud | |||
1 | 2 | 3 | |
Nominatief | ik ('k) | jij (je), gij (ge), u (U) | hij, zij, het |
Genitief | mijner | jouwer, uwer (Uwer) | zijner, harer, zijner |
Datief | mij (me) | jou (je), u (U) | hem, haar, het |
Accusatief | mij (me) | jou (je), u (U) | hem, haar, het |
Locatief | mijnent | jouwent, uwent (Uwent) | zijnent, harent, zijnent |
Meervoud | |||
1 | 2 | 3 | |
Nominatief | wij (we) | jullie, gij (ge), u (U) | zij (ze) |
Genitief | onzer | julliër, uwer (Uwer) | hunner |
Datief | ons | jullie, u (U) | hun |
Accusatief | ons | jullie, u (U) | hen |
Locatief | onzent | jullieënt, uwent (Uwent) | hunnent |
Ook kent het persoonlijk naamwoord, dat zelfstandig gebruikt wordt, nog een speciale vorm voor de locatief: mijnent, jouwent, uwent, zijnent, harent, onzent, jullieënt, hunnent. Het persoonlijk voornaamwoord wordt dan altijd voorafgegaan door het voorzetsel te of het bevindt zich te midden de constructie van ... wege of om ... wil.
Het persoonlijk voornaamwoord kent echter geen genitiefvorm meer, hiervoor gebruiken we het bezittelijk voornaamwoord, dat als een onbepaald lidwoord verbogen wordt.
[bewerk] Verbuiging van het uitroepend voornaamwoord
Het Nederlands telt 4 uitroepende voornaamwoorden: wie, wat een, welk (een), zo'n en zulk(e). Voor de verbuiging van wie, zie het betrekkelijk voornaamwoord, Voor de verbuiging van wat een, welk een, zo'n en zulk een, zie verbuiging van het lidwoord: verbuiging van het onbepaalde lidwoord Voor de verbuiging van welk(e) en zulk(e), zie verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord zonder lidwoord
[bewerk] Verbuiging van het vragend voornaamwoord
Het Nederlands telt 2 vragende voornaamwoorden: wie en welk. Voor de verbuiging van wie, zie het betrekkelijk voornaamwoord, Voor de verbuiging van welk(e) , zie verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord zonder lidwoord
[bewerk] Verbuiging van het wederkerig voornaamwoord
Het wederkerig voornaamwoor is altijd accusatief of datief:
Enkelvoud | |||
1 | 2 | 3 | |
Datief | mij(zelf)/me(zelf) | je(zelf), zich(zelf), u(zelf) | zich(zelf) |
Accusatief | mij(zelf)/me(zelf) | je(zelf), zich(zelf), u(zelf) | zich(zelf) |
Meervoud | |||
1 | 2 | 3 | |
Datief | ons(zelf) | je(zelf), zich(zelf), u(zelf) | zich(zelf) |
Accusatief | ons(zelf) | je(zelf), zich(zelf), u(zelf) | zich(zelf) |
[bewerk] Verbuiging van het wederkerend voornaamwoord
Het Nederlands kent drie wederkerende voornaamwoorden: elkaar, elkander en mekaar. Het wederkerend voornaamwoord kent geen nominatief en geen enkelvoud.
Meervoud | |||
elkaar | elkander | mekaar | |
Genitief | elkaars | elkanders | mekaars |
Datief | elkaar | elkander | mekaar |
Accusatief | elkaar | elkander | mekaar |