Intelligentie
Van Wikipedia
Intelligentie is een eigenschap van de werking van de hersenen met veel verschillende functies; zoals de mogelijkheid overeenkomsten en verschillen op te merken in waarnemingen, zich in de ruimte te oriënteren, te redeneren, plannen te maken, problemen op te lossen, in abstracties te denken, ideeën en taal te begrijpen en te produceren, informatie op te slaan in het geheugen en daar weer uit op te halen, te leren van ervaringen. Ook bij ‘hogere’ diersoorten zijn bepaalde functies van de intelligentie werkzaam. Meestal vat men onder het begrip ‘íntelligentie’ niet eigenschappen als creativiteit, en wijsheid. Intelligentie is een kenmerk van de persoonlijkheid. Bij de een is de intelligentie, of zijn bepaalde facetten van de intelligentie, sterker ontwikkeld dan bij de ander. Zo kan bijvoorbeeld de een makkelijker een taal leren en de ander zich sneller oriënteren in een ruimte.
David Wechsler, de Amerikaanse psycholoog die de beroemde Wechsler intelligentietests ontwierp definieerde intelligentie eenvoudig zo: Intelligentie is het vermogen doelgericht te handelen, rationeel te denken en effectief met de omgeving om te gaan.
Twee Nederlandse onderzoekers, Wilma Resing en Pieter Drenth omschreven het begrip intelligentie ongeveer als volgt: Intelligentie is een conglomeraat van verstandelijke vermogens, processen en vaardigheden, zoals:
- abstract, logisch en consistent kunnen redeneren,
- relaties kunnen ontdekken, leggen en doorzien,
- problemen kunnen oplossen,
- regels kunnen ontdekken in schijnbaar ongeordend materiaal
- met bestaande kennis nieuwe taken kunnen oplossen,
- zich flexibel kunnen aanpassen in nieuwe situaties
- zelfstandig kunnen leren, zonder directe en volledig instructie nodig te hebben.
Deze omschrijving heeft veel gemeen met de soorten van intelligentie die de Amerikaanse psycholoog Robert Sternberg heeft onderscheiden.
Inhoud |
[bewerk] Soorten intelligentie
De Amerikaanse psychologen Robert Sternberg, Howard Gardner en David Goleman hebben het begrip intelligentie willen verbreden en nuanceren door aandacht te vragen voor soorten van intelligentie die met de gewone intelligentietests niet goed zijn vast te stellen.
Sternberg onderscheidt aan de intelligentie een contextuele kant, een ervaringskant en een componentenkant. De contextuele kant is de mate waarin iemand snel kan inspelen op de op de eisen van de omgeving, en ook snel kan zien of hij of zij tegen die taak is opgewassen, hulp kan gaan zoeken, of de taak zo kan wijzigen dat hij of zij die toch aan kan. Dit is de praktische intelligentie uit het dagelijks leven. Belangrijk hierin is de sociale intelligentie of sociale cognitie. De ervaringskant is het gemak waarin iemand al denkende en doende op ideeën komt en inventief kan zijn in het leggen van verbanden tussen al bekende en nieuwe problemen. Dit is dus de creatieve gerichtheid van het brein. De componentenkant betreft het analytisch proces dat in het brein plaats vindt als een probleem moet worden opgelost. Welke denkstrategieën worden daarbij gebruikt en welke denkstappen gezet? En in welke volgorde? Deze kant van de intelligentie sluit het meest aan bij wat er in het onderwijs van leerlingen wordt gevraagd.
Goleman heeft naast de rationele aandacht gevraagd voor de emotionele intelligentie. Hierin zijn zelfkennis, verplaatsing in de gedachten en gevoelens van anderen en het vermogen tot samenwerken met, en aansturing van, anderen belangrijke componenten. Het begrip komt sterk overeen met dat van de sociale intelligentie. Goleman heeft voor deze vorm van intelligentie ook een test ontwikkeld, de EQ-test genoemd, analoog aan de IQ tests.
Gardner tenslotte wil alleen spreken over intelligenties, in meervoud, omdat mensen goed kunnen zijn in de ene vorm van intelligentie en minder goed in de andere. Zo onderscheidt hij maar liefst acht vaardigheden waarin iemand meer of minder intelligent kan zijn: taal, wiskunde, muziek, intermenselijke relaties, ruimtelijke oriëntatie, lichaamsbeheersing, zelfkennis, natuur en milieu.
[bewerk] Erfelijkheid en omgeving
Uit vele decennia van onderzoek is komen vast te staan dat de intelligentie zoals die gemeten wordt met intelligentietests een erfelijke eigenschap is. Dat wil zeggen dat een deel van de (spreiding van de) gerealiseerde scores op intelligentietests, bij groepen van individuen, toegeschreven kan worden aan de invloed van de genen die intelligent gedrag mogelijk maken. Algemeen neemt men nu aan dat het veilig is te stellen dat dit deel vijftig procent van de variantie in de scores verklaart. Sommige onderzoekers gaan verder en menen aangetoond te hebben dat dit deel nog groter is, tot tachtig procent aan toe. Dit wil niet zeggen dat dit ook voor ieder afzondelijk individu in die groepen geldt. Als men van ouders van een grote groep kinderen de scores (en de spreiding daarvan) op goede intelligentietests kent, kan men voor hun kinderen, als groep, een gemiddelde score (en spreiding van scores daaromheen) verwachten die in de buurt ligt van die van de ouders. Maar voor individuele kinderen kan men zulke verwachtingen niet hebben. Die kunnen gelijk intelligent zijn aan hun ouders, daarin meer op de vader dan op de moeder lijken, veel intelligenter zijn dan beiden, of juist veel minder intelligent. Alleen is de káns groter dat zij in dit opzicht wel op hun ouders zullen lijken. Maar de kinderen van ouders met een extreem hoge gemeten intelligentie zullen gemiddeld lagere scores dan hun zeer hoog scorende ouders halen, en kinderen van extreem laag scorende ouders zullen gemiddeld hoger uitkomen. Dit wordt verklaard door het regressie-effect.
Dat veel kinderen in hun intelligentie op hun ouders lijken komt ook door die andere belangrijke factor: de omgeving. Ouders creëren voor hun kinderen een leefomgeving. Door het land en de plaats waar zij het kind ter wereld brengen; door de armoede of welstand waarin zij het kind grootbrengen; door het voedsel dat zij voor het kind kunnen krijgen; door de mate waarin en afwisseling waarmee zij met het kind praten; door de wijze waarop zij het kind stimuleren onderzoekend bezig te zijn; door de scholen waarop zij het kind kunnen plaatsen, enzovoorts. Als het kind al op jonge leeftijd afstompende kinderarbeid moet verrichten kan de omgeving niet goed helpen de aangeboren intelligentie tot ontwikkeling te brengen. Later spelen ook de leeftijdgenoten een grote rol. Komt het kind in een groep terecht waarbinnen onderwijs niet gewaardeerd wordt, dan is dat een ongunstige omgevingsfactor.
De combinatie van erfelijke aanleg en omgeving beinvloedt uiteindelijk de intelligentie-score.
Een erg interessante onderzoeksgroep voor het analyseren van de bijdragen van erfelijkheid en omgeving zijn ééneiige tweelingen die vanaf kort na de geboorte opgroeien in twee totaal verschillende omgevingen. Het aantal van dergelijke tweelingen is echter beperkt.
[bewerk] Sekseverschillen
Bij intelligentietests van het traditionele soort blijkt telkens dat de variatiebreedte bij jongens en mannen iets groter is dan bij meisjes en vrouwen. Dit betekent dat als men in een normaalverdeling van intelligentiescores de gevonden scores van beide seksen samenvoegt, er aan de beide uiteinden van de verdeling méér jongens en mannen dan meisjes of vrouwen zitten. Dus méér mannelijke hoogbegaafden dan vrouwelijke, maar ook méér mannelijke extreem zwakbegaafden. Maar de gemiddelde uitkomsten op tests voor de algemene intelligentie verschillen niet of nauwelijks.
Wat de sekseverschillen op onderdelen van de intelligentie betreft moeten we ons steeds voor ogen houden dat wij over verschillen in gemiddelde prestaties spreken. Dat zegt dus niets over hoe bepaalde individuen van beiden seksen presteren.
- Meisjes en vrouwen zijn in het voordeel op het gebied van gesproken en geschreven taal, en dus ook van het lezen. Eén van de verklaringen hiervoor wordt gezocht in het feit dat bij mannen de taalfuncties meestal alleen door de linker hemisfeer worden aangestuurd, en bij vrouwen door beide hemisferen. Voorzover in intelligentietests een beroep gedaan wordt op lezen en taalbegrip zijn meisjes en vrouwen daarbij dus in het voordeel. Daar staat weer tegenover dat jongens en mannen gemiddeld minder moeite blijken te hebben met het oplossen van in woorden opgestelde redeneersommen. Een eenvoudig voorbeeld: “Eva heeft twee snoepjes. Zij heeft één snoepje minder dan Anna. Hoeveel snoepjes heeft Anna?” Meer meisjes dan jongens worden door dat ‘minder’ in de war gebracht en antwoorden: één.
- Jongens en mannen zijn beter in ruimtelijke oriëntatie. Als er dus in de intelligentiemetingen proefjes worden opgenomen waarbij dit een rol speelt halen zij doorgaans gemiddeld betere scores. Dit zou ook kunnen verklaren waarom zij gemiddeld beter zijn in het oplossen van taken met geometrische figuren. Maar op de bekende non-verbale test van Raven, de Raven Progressieve Matrijzen test (die vroeger onder meer bij de keuring van Nederlandse dienstplichtigen werd gebruikt) worden internationaal geen verschillen in gemiddelde prestaties van de seksen gevonden.
[bewerk] Kunstmatige intelligentie
De studie van intelligent gedrag binnen de psychologie heeft ook geleid tot computertoepassingen die het ordenen van informatie, het synthetiseren, het selecteren en beoordelen daarvan nabootsen in complexe programma's. Een voorbeeld zijn de schaakprogramma's voor computers. Robots die intelligent kunnen reageren op nieuwe situaties zijn een ander voorbeeld.
[bewerk] Bronnen
- Wilma Resing en Pieter Drenth (2001) Intelligentie: weten en meten. Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds. ISBN 90-5712-040-2
- David C. Geary (1998) Male, Female: The evolution of Human Sex Differences. Washington D.C.: American Psychological Association ISBN 1-55798-527-8